Een hypothese om mee te beginnen.
Je bent niet een afzonderlijk bewustzijn dat contact probeert te krijgen met iets groters. Je bent een tijdelijk gefocuste vorm van dat grotere bewustzijn. En misschien begint de vergissing precies daar waar je buiten jezelf gaat zoeken naar iets waarvan je nooit afgescheiden bent geweest.
Neem die hypothese als vertrekpunt, en evolutie krijgt een andere betekenis. Niet alleen biologische aanpassing en selectie, maar ontwikkeling van bewustzijn, en van de manieren waarop dat bewustzijn zich via mensen laat zien.
Vanuit dat perspectief verandert ook de vraag rond uitzonderlijke hoogbegaafdheid.
Bekijk je haar vooral psychologisch, dan vraag je wat er met het individu aan de hand is. Waarom zoveel intensiteit? Waarom past iemand slecht binnen bestaande structuren? Waar komt de frictie vandaan? En bijna vanzelf volgt dan: hoe kan deze persoon daar beter mee leren omgaan?
Evolutionair bekeken kun je die vraag omdraaien: wat als een afwijking van de norm niet alleen iets zegt over het individu, maar ook een functie heeft in de ontwikkeling van het geheel?
Variatie is een voorwaarde voor evolutie. Een systeem waarin iedereen op vergelijkbare wijze waarneemt, denkt en handelt, is vooral goed in het reproduceren van zichzelf. Juist mensen die anders waarnemen, eerder verbanden zien, aannames niet vanzelfsprekend accepteren en zich moeilijk voegen naar structuren die voor anderen prima werken, kunnen zichtbaar maken wat het systeem zelf niet meer ziet.
Dan krijgt frictie ook een andere betekenis. Ze hoeft niet te betekenen dat iemand onvoldoende is aangepast. Misschien ontstaat frictie juist omdat we iemand proberen aan te passen aan een systeem, terwijl zijn functie mede ligt in het zichtbaar maken van de beperkingen van dat systeem.
Dat betekent niet dat iedere uitzonderlijk hoogbegaafde een bijzondere opdracht heeft. Dan maken we van deze gedachte meteen weer een nieuw model waarmee we mensen classificeren en vertellen wie ze zijn. Precies dat is niet de bedoeling.
De werkelijke waarde van het evolutionaire perspectief zit ergens anders: het haalt het bestaande systeem weg als vanzelfsprekende maatstaf.
We vragen dan niet langer alleen: hoe krijgen we deze mens passend binnen wat er al is? Maar ook: waarom past deze mens hier niet, en wat vertelt dat ons over hetgeen waarin we hem proberen te laten passen?
En daar houdt het voor mij op uitsluitend over uitzonderlijke hoogbegaafdheid te gaan. Dezelfde vraag raakt onderwijs, organisaties, leiderschap, economie, en uiteindelijk de manier waarop we onze samenleving hebben ingericht.
Misschien hebben we mensen die buiten bestaande systemen staan te lang vooral bekeken op hun vermogen, of onvermogen, om zich aan te passen. Terwijl hun afstand soms precies mogelijk maakt wat vanuit het systeem zelf nauwelijks mogelijk is: zien wat degenen erbinnen niet meer kunnen zien.
Neem je de hypothese waarmee ik begon serieus, dan ontstaat een nog fundamentelere mogelijkheid: wat als die verschillen niet toevallig zijn, maar onderdeel van de manier waarop het geheel zichzelf ontwikkelt?
Dan is buiten het systeem staan misschien geen tekortkoming die moet worden opgelost.
Misschien is het een functie.



