Blijk ik ineens UHB te zijn.
Mijn vrouw Jorien wees me op een artikel van Dirk Anton van Mulligen in Hoogbegaafd & Zo. Zelf lees ik dit soort bladen nooit. Wat op zichzelf wat merkwaardig is, want ik schrijf er wel voor. Zonder Jorien was het artikel me in ieder geval volledig ontgaan.
Van Mulligen schrijft over wat hij uitzonderlijke hoogbegaafdheid noemt.
Na ruim zestig jaar leven met mezelf moest ik toch even glimlachen. Weer een afkorting erbij.
Het label kan me eerlijk gezegd niet zoveel schelen. Zijn manier van kijken wel. Hij benadert uitzonderlijke hoogbegaafdheid ook vanuit een evolutionair perspectief. Niet alleen de vraag wat het is, maar vooral: waarom zou zoiets bestaan?
Hij beschrijft mensen bij wie meerdere kanalen tegelijkertijd openstaan. Die niet alleen sneller denken, maar tegelijk waarnemen, denken, voelen en betekenis geven. En die daardoor niet altijd even vanzelfsprekend binnen bestaande structuren functioneren.
Dat herken ik.
Al werkt het bij mij net iets anders. Die kanalen staan niet onbeheersbaar allemaal tegelijk op vol vermogen. Ik kan ze vrij aardig afzonderlijk harder en zachter zetten. Soms zelfs tijdelijk uitschakelen. Maar als het nodig is, zijn ze er allemaal. Tegelijk. En dan ontstaat vrijwel onmiddellijk samenhang en betekenis.
Ook het leven aan de rand van systemen herken ik.
Hoewel — ‘de rand’ is eigenlijk niet het juiste beeld. Het is eerder een breed gebied, en pas ver daarachter ben ik echt mezelf. Slechts een heel kleine kring krijgt daar toegang toe.
Weinig echte gelijken. Eenzaamheid als vaste reisgenoot. Niet per se omdat aansluiting mislukt, maar misschien omdat aansluiting helemaal niet altijd nodig is.
En precies daar begon het artikel voor mij te schuren.
Want hoe interessant ik Van Mulligens evolutionaire perspectief ook vind, ik proef er nog steeds behoorlijk wat aanpassen in.
Dat is misschien niet zo vreemd. Hij verdient, vermoed ik, net als ik zijn geld met adviseren en begeleiden. Kennelijk met meer succes dan ik, althans waar het individuele mensen betreft. Daar ben ik inmiddels mee gestopt. Aan organisaties waag ik me nog wel.
Vanuit de praktijk van een hulpverlener is de vraag hoe kan iemand beter functioneren in zijn omgeving? natuurlijk een logische.
Maar als je die evolutionaire gedachte serieus neemt, kun je de vraag net zo goed omdraaien:
Wat als sommige mensen juist buiten het systeem moeten staan om te kunnen zien wat van binnenuit niet meer zichtbaar is?
Dan is niet iedere afwijking een probleem dat om aanpassing vraagt. Niet iedere eenzaamheid een tekort aan peers. En niet iedere intensiteit iets wat gereguleerd moet worden.
Misschien is afstand helemaal geen probleem.
Misschien is afstand juist functioneel.
Van Mulligen schrijft ook over die permanente bron van frictie. Die intensiteit die maar doorgaat en die evolutionair juist een voordeel kan zijn.
Die frictie is bij mij de laatste tijd behoorlijk gedempt.
En eerlijk gezegd vind ik dat erger.
Niet omdat ik zo nodig terugverlang naar de frictie zelf. Maar er komt iets voor in de plaats wat ik veel minder goed ken: leegte. Het ontbreken van iets wat er eigenlijk altijd is geweest.
En kennelijk werkt mijn hoofd dan toch zoals het werkt, want vrijwel onmiddellijk dient de volgende vraag zich aan: wat betekent díé leegte dan? Is ook die ergens voor nodig? Misschien zelfs functioneel?
Maar waarvoor?
Geen idee.
En juist dat vind ik reuze interessant.
Het sluit trouwens verrassend goed aan bij mijn eigen bijdrage in hetzelfde magazine, waarin ik vanuit een heel andere invalshoek schreef over leven buiten bestaande kaders.
Dus ben ik nu ineens UHB?
Geen idee.
Ik kan uitstekend verder zonder het antwoord.
Maar Dirk Anton van Mulligen heeft me met zijn evolutionaire blik wel op een vraag gebracht waarop ik zelf nog geen antwoord heb.
En dat gebeurt me niet elke dag!



