Althans, niet in de betekenis die wij tegenwoordig aan hoogbegaafdheid geven. Er waren geen IQ-tests, geen grens van 130 en niemand die zich afvroeg of hij misschien uitzonderlijk hoogbegaafd was.
Maar de vraag is minder vreemd dan hij lijkt.
Want veel van de eigenschappen die we tegenwoordig met (U)HB in verband brengen, sterke autonomie, nieuwsgierigheid, zelf willen onderzoeken, snel verbanden leggen, breed waarnemen en weinig vanzelfsprekende gehoorzaamheid aan autoriteit, waren gedurende het grootste deel van onze evolutionaire geschiedenis helemaal niet noodzakelijk uitzonderlijk.
En precies daar begint het voor mij interessant te worden.
Eerst hebben we het gemeten
Om te begrijpen waarom, moeten we eerst terug naar de vraag hoe we hoogbegaafdheid eigenlijk zijn gaan definiëren.
De moderne geschiedenis van hoogbegaafdheid is sterk verbonden met intelligentiemeting. In het begin van de twintigste eeuw werden intelligentietests ontwikkeld en werd uitzonderlijke begaafdheid steeds meer gekoppeld aan uitzonderlijk hoge scores.
Dat was overzichtelijk.
Intelligentie kon worden gemeten. De scores vormden ongeveer een normale verdeling. Wie uitzonderlijk hoog scoorde, week statistisch af van het gemiddelde.
Later raakte een IQ rond 130 — ongeveer het 98e percentiel — breed ingeburgerd als grens voor hoogbegaafdheid.
Maar daarmee hadden we iets heel specifieks gedaan.
We hadden vastgesteld dat een klein percentage mensen boven een bepaalde grens scoorde en daar vervolgens een naam aangegeven.
Dat onderscheid is belangrijk. Want uit het feit dat ongeveer 2 à 3 procent boven een gekozen statistische grens scoort, volgt niet automatisch dat de natuur ook een afzonderlijke groep mensen heeft gemaakt die precies daar begint.
Die kritiek is overigens niet nieuw. Renzulli stelde begin jaren tachtig al fundamentele vragen bij het gelijkstellen van giftedness aan hoge IQ-scores. Borland ging later nog verder en bekritiseerde expliciet het idee dat giftedness een natuurlijk afgebakende categorie zou zijn die een vast percentage van de bevolking omvat.
Of eenvoudiger gezegd:
we trokken een lijn op de kaart en zijn die lijn vervolgens in het landschap gaan zoeken.
Alleen paste de mens niet zo goed in onze definitie
Daarna gebeurde iets interessants.
IQ bleek niet voldoende om te beschrijven wat onderzoekers, ouders, scholen en hoogbegaafden zelf waarnamen. Dus werd het begrip breder.
Creativiteit kwam erbij, motivatie, taakgerichtheid, intensiteit, autonomie, omgeving, ontwikkeling en verschillende vormen van talent.
Renzulli ontwikkelde zijn bekende model van bovengemiddelde capaciteiten, creativiteit en taakgerichtheid. Gagné maakte onderscheid tussen natuurlijke vermogens en ontwikkeld talent. Andere modellen namen steeds nadrukkelijker persoonlijkheid, omgeving en ontwikkeling mee.
En zelfs daarmee waren we er niet.
Binnen hoogbegaafdheid ontstond opnieuw behoefte aan onderscheid: zeer hoogbegaafd, exceptionally gifted, profoundly gifted, uitzonderlijk hoogbegaafd (U)HB.
Daar is op zichzelf niets vreemds aan. Kennis ontwikkelt zich en definities veranderen mee.
Maar je kunt er ook anders naar kijken.
We begonnen met een meetbare afwijking van het gemiddelde en proberen daar inmiddels een steeds groter menselijk verschijnsel mee te beschrijven.
Je kunt dan natuurlijk de categorie steeds verder verfijnen. Of, je kunt je op een gegeven moment afvragen of de oorspronkelijke categorie misschien te klein was voor hetgeen we proberen te begrijpen.
Terug naar Homo sapiens
Homo sapiens bestaat ongeveer driehonderdduizend jaar, al zijn daar de meningen over verdeeld. Fossielen uit Jebel Irhoud in Marokko worden op ongeveer 315.000 jaar gedateerd.
Landbouw bestaat pas ongeveer twaalfduizend jaar. Massaal onderwijs is nog veel jonger.
Gedurende verreweg het grootste deel van onze evolutionaire geschiedenis groeiden mensen dus niet op in klaslokalen, organisaties of bureaucratieën. Ze leefden in gemeenschappen die grotendeels afhankelijk waren van jagen, verzamelen, vissen en andere vormen van foerageren.
Dat maakt iemand met een IQ van 145 natuurlijk nog geen jager-verzamelaar. :-)
Maar het maakt een andere vraag wel interessant.
Welke eigenschappen waren in die wereld eigenlijk functioneel?
Daar weten we inmiddels behoorlijk wat over.
Onderzoek bij hedendaagse jager-verzamelaarsgemeenschappen laat zien dat kinderen veel leren door te kijken, te spelen, te experimenteren en mee te doen met het echte leven om hen heen.
Bij de Aka in Centraal-Afrika bijvoorbeeld is directe instructie relatief beperkt en spelen autonomie en gelijkwaardigheid een belangrijke rol in de manier waarop kinderen leren.
Zelf gestuurd leren blijkt daarmee bepaald geen recente onderwijsvernieuwing.
Het is heel oud.
Kinderen moesten zelf waarnemen, nieuwsgierig zijn, verbanden leggen en experimenteren. Ze keken naar verschillende mensen, ontdekten wie ergens goed in was en deden mee wanneer ze eraan toe waren.
Leren en leven waren niet van elkaar gescheiden.
Ook de omgang met gezag zag er in veel van deze gemeenschappen anders uit. Antropoloog Christopher Boehm beschreef hoe egalitaire jager-verzamelaarsgroepen allerlei mechanismen gebruikten om te voorkomen dat één persoon blijvende macht over de anderen kreeg.
Leiderschap kon bestaan.
Een functie gaf alleen niet automatisch recht op gehoorzaamheid.
Ook dat klinkt ineens verrassend modern.
Toen veranderden we de omgeving
Met landbouw veranderde er veel: permanente nederzettingen, andere vormen van bezit en arbeidsdeling, grotere gemeenschappen en andere machtsverhoudingen.
Veel later kwamen scholen, fabrieken, bureaucratieën en grote organisaties. Onze culturele omgeving veranderde daarmee enorm.
Onze biologische uitrusting had aanzienlijk minder haast. Binnen de evolutiepsychologie wordt voor mogelijke gevolgen daarvan het begrip evolutionary mismatch gebruikt. De gedachte erachter is eigenlijk eenvoudig: eigenschappen die goed functioneren in de omgeving waarin ze zich hebben ontwikkeld, hoeven niet hetzelfde effect te hebben wanneer die omgeving sterk verandert.
Daar bestaat een aardig voorbeeld van.
Onderzoekers bestudeerden mannen van de Ariaal in Noord-Kenia, van wie een deel nog nomadisch leefde en een ander deel inmiddels gevestigd was. Ze keken naar een variant van het DRD4-gen die ook veel is onderzocht in relatie tot ADHD.
Bij de nomadisch levende mannen hing die variant samen met een betere voedingstoestand. Bij de gevestigde mannen was het verband precies andersom.
Zelfde genetische variant. Andere omgeving. Andere uitkomst.
Dat onderzoek gaat niet over hoogbegaafdheid en ik gebruik het ook niet als bewijs daarvoor.
Het laat iets fundamentelers zien:
een eigenschap heeft niet los van haar omgeving een vaste betekenis of waarde.
En daarmee komen we weer bij Homo sapiens.
Bijzonder ten opzichte waarvan?
Sterke autonomie, een bijna niet te stoppen nieuwsgierigheid, zelf willen onderzoeken, snel verbanden leggen tussen informatie die voor anderen los van elkaar lijkt te staan, breed waarnemen, improviseren, patronen herkennen en weinig vanzelfsprekende eerbied voor autoriteit wanneer het argument niet klopt.
Een flink deel daarvan beschrijven we tegenwoordig als eigenschappen die opvallend vaak bij (U)HB voorkomen.
Maar bijzonder ten opzichte waarvan?
Vrijwel altijd vergelijken we de (U)HB’er met de gemiddelde mens van vandaag.
Dat is logisch wanneer je wilt meten wie van het gemiddelde afwijkt. Maar veel minder vanzelfsprekend wanneer je wilt begrijpen wat je eigenlijk aan het meten bent.
Want die gemiddelde mens van vandaag is zelf opgegroeid binnen een heel specifieke omgeving van scholen, instituties, specialisatie, hiërarchie en regels. Een wereld waarin voor een belangrijk deel al is bepaald wat relevant is en wanneer.
Die mens is geen neutraal nulpunt in de geschiedenis van onze soort.
Dus wat gebeurt er wanneer we de vergelijking omdraaien?
Niet alleen:
Hoe verschilt de (U)HB’er van de gemiddelde mens van vandaag?
Maar ook:
Hoe verschilt de gemiddelde mens van vandaag van de mens die gedurende het grootste deel van onze evolutionaire geschiedenis moest functioneren?
Dan ziet het landschap er ineens anders uit.
Misschien kijken we bij (U)HB niet uitsluitend naar mensen die iets extra’s hebben.
Misschien kijken we óók naar mensen bij wie bepaalde menselijke eigenschappen opvallend toegankelijk zijn gebleven.
Dat was de hypothese die ik eerder opperde. Alleen zie ik die inmiddels niet meer als een gedachte die op zichzelf staat.
Niet omdat ergens een onderzoek bestaat waaruit blijkt dat (U)HB’ers eigenlijk moderne jagers-verzamelaars zijn. Dat zou ook een nogal potsierlijke conclusie zijn.
Maar er begint wel iets op te vallen wanneer je verschillende onderzoeken naast elkaar legt.
De menselijke leeromgeving is ingrijpend veranderd. In onderzochte jager-verzamelaarsculturen blijken autonomie, observatie, exploratie en participatie een belangrijke rol te spelen. We weten bovendien dat eigenschappen afhankelijk van hun omgeving heel verschillend kunnen uitpakken.
En ondertussen hebben we het begrip hoogbegaafdheid steeds verder moeten uitbreiden, omdat alleen uitzonderlijk hoge intelligentie onvoldoende bleek te beschrijven wat we zagen.
Misschien moeten we dan niet nóg een eigenschap aan het rijtje toevoegen.
Misschien moeten we het referentiepunt veranderen.
En waarom juist nu?
Dat is voor mij inmiddels misschien wel de interessantste vraag.
Ik denk niet dat er ineens meer (U)HB’ers worden geboren.
Maar er gebeurt wel iets onder onze ogen.
Kinderen lopen vast in systemen die bepalen wat, wanneer en in welk tempo ze moeten leren. Volwassenen herkennen zichzelf niet altijd meer in de categorieën waarmee hun functioneren wordt verklaard. Tegelijkertijd staan oude ideeën over onderwijs, werk, leiderschap en organisaties ter discussie.
Ik vraag me steeds meer af of we die ontwikkelingen wel los van elkaar moeten bekijken.
Vanuit evolutionair perspectief is variatie binnen een soort geen fout in het systeem. Zonder variatie heeft een populatie minder mogelijkheden om op veranderende omstandigheden te reageren. En wanneer omstandigheden veranderen, kan daarmee ook veranderen welke eigenschappen functioneel zijn.
Dat maakt verschil interessant.
Want wat binnen een stabiel systeem vooral lastig, afwijkend of onaangepast lijkt, kan onder veranderende omstandigheden ineens waardevol worden.
Misschien hebben we juist mensen nodig die autonoom blijven denken, verbanden leggen die anderen niet zien en niet automatisch aannemen dat een bestaande regel ook een goede regel is. Mensen die buiten een systeem kunnen staan en daardoor soms iets zien wat van binnenuit nauwelijks zichtbaar wordt.
Misschien verklaart dat niet alleen iets over (U)HB.
Misschien verklaart het ook waarom de discussie juist nu begint te verschuiven.
Dan ontstaat er een heel andere vraag dan waarmee we ooit begonnen.
Niet:
hoe krijgen we de (U)HB’er beter passend binnen het bestaande systeem?
Maar:
wat als de frictie van (U)HB met dat systeem ons iets vertelt over de ontwikkeling die al gaande is?
En daarmee kom ik terug bij de titel.
Was Homo sapiens hoogbegaafd?
Nee.
Misschien hebben we de vraag al die tijd precies andersom moeten stellen.
Wat als we bij (U)HB niet naar een uitzondering op de menselijke ontwikkeling kijken, maar naar een aanwijzing ervoor?
Bronnen
Hublin, J.-J. et al. (2017). New fossils from Jebel Irhoud, Morocco and the pan-African origin of Homo sapiens. Nature, 546, 289–292.
Gray, P. (2009). Play as a Foundation for Hunter-Gatherer Social Existence. American Journal of Play, 1(4).
Hewlett, B.S. et al. (2011). Social learning among Congo Basin hunter-gatherers. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 366.
Boyette, A.H. & Hewlett, B.S. (2017). Autonomy, Equality, and Teaching among Aka Foragers and Ngandu Farmers. Human Nature, 28.
Boehm, C. (1999). Hierarchy in the Forest. Harvard University Press.
Li, N.P., van Vugt, M. & Colarelli, S.M. (2018). The Evolutionary Mismatch Hypothesis. Current Directions in Psychological Science, 27(1).
Eisenberg, D.T.A. et al. (2008). Dopamine receptor genetic polymorphisms and body composition in undernourished pastoralists. BMC Evolutionary Biology, 8.



