Er verandert iets, wat je jarenlang vanzelfsprekend vond, verliest zijn betekenis. Je kunt nog uitleggen waarom je bepaalde dingen doet, maar je eigen uitleg overtuigt je niet meer. Tegelijk kun je nauwelijks woorden geven aan wat zich ervoor in de plaats aandient.
Dus ga je zoeken, zoals je dat altijd doet.
Je leest, analyseert en praat met mensen die het zouden moeten begrijpen. Je probeert te ontdekken wat er aan de hand is en wat je ermee moet. Dat is tenslotte hoe je tot nu toe vrijwel alles hebt aangepakt.
Maar wat gebeurt er wanneer juist die manier van zoeken je onrust in stand houdt?
Wanneer je jezelf niet meer vanzelfsprekend begrijpt
In mijn artikel ‘Je bent niet te veel. Het systeem is te weinig.’ in Hoogbegaafd & Zo schreef ik over het vertrouwen in je eigen waarneming wanneer je omgeving die voortdurend ter discussie stelt. In de vervolgartikelen onderzocht ik hoe we blijven functioneren binnen structuren waarvan we de beperkingen allang doorzien.
De persoonlijke reacties [DM] brengen mij bij een volgende laag. Sommige mensen beschrijven expliciet dat er vanbinnen iets wezenlijks verandert wat nieuw is. Bij anderen verschijnt het in een vraag naar samenwerking, betekenis of een plek om hun capaciteiten in te zetten. De vraag lijkt praktisch, maar een praktisch antwoord alleen raakt niet aan wat hen bezighoudt.
Je merkt bijvoorbeeld dat je een vertrouwde rol niet meer automatisch invult. Iemand legt een probleem bij je neer en je ziet onmiddellijk hoe het opgelost kan worden. Vroeger was je dan al begonnen. Nu aarzel je: wil ik dit eigenlijk nog op me nemen?
Je intellectueel vermogen is niet verdwenen. Je verhouding tot wat je ermee doet wel.
Dat raakt ook de manier waarop je jezelf begrijpt. Als je niet meer vanzelfsprekend degene bent die oplost, overzicht houdt en verantwoordelijkheid neemt, waarop rust je gevoel van waarde dan nog? Wat blijft er over wanneer je niet meer onmiddellijk nuttig bent?
De structuren waarin je functioneert zitten ook in je eigen verwachtingen, gewoonten en maatstaven. Je neemt ze mee, zelfs wanneer je de omgeving waarin ze ontstonden allang hebt verlaten.
Afscheid begint vóór het besluit
Daar hoort afscheid bij. Van rollen waarin je goed was, ambities waarvoor je jarenlang hebt gewerkt en verhoudingen waarin je precies wist wat jouw plaats was.
Je kunt met overtuiging iets hebben opgebouwd en toch merken dat je er niet op dezelfde manier mee verder kunt. Daarmee wordt wat er eerder was niet waardeloos, integendeel.
Je zit in een overleg, stelt de juiste vragen en ziet wat er moet gebeuren. Na afloop bedankt iemand je voor je bijdrage. Je hebt het goed gedaan. Toch merk je onderweg naar huis dat je vooral opgelucht bent dat het voorbij is. Het resultaat interesseert je nog wel, maar je voelt niet meer de betrokkenheid waarmee je vroeger naar zo’n gesprek toeging.
Die ervaring is verwarrend wanneer je gewend bent je keuzes te beoordelen op hun logica. Alles kan op papier nog kloppen; je bent bekwaam, mensen waarderen je bijdrage en er zijn goede redenen om door te gaan. Alleen merk je dat je jezelf steeds nadrukkelijker moet overtuigen en ingang moet zetten.
Afscheid begint dan al voordat je een besluit hebt genomen en je betrokkenheid verandert. De woorden waarmee je je leven beschreef, dekken je ervaring niet meer. Wat je vroeger richting gaf, voelt inmiddels als iets wat je moet onderhouden.
Je probeert dat te herstellen. Nog een andere aanpak, een nieuwe afspraak, een beter evenwicht. Tot je merkt dat het niet meer werkt en je vooral bezig bent jezelf terug te brengen naar een betrokkenheid die er niet meer op dezelfde manier is.
Dan krijgt inzicht consequenties, omdat het simpelweg niet anders meer gaat.
De onrust krijgt een projectplan
We zijn gewend ongemak als een vraagstuk te behandelen. Er moet een oorzaak zijn, vervolgens een aanpak geformuleerd en liefst een aanwijzing dat die aanpak werkt.
Ook onze omgeving helpt graag mee. Heb je hier al aan gedacht? Zou je niet eens met iemand praten? Moet je niet meer structuur aanbrengen? Op tijd naar bed?
Voor je het weet heeft je onrust een SMART geformuleerd projectplan.
Je krijgt iets te doen en daarmee tijdelijk het gevoel dat je weer invloed hebt. Je kunt stappen zetten, je voortgang bijhouden en beoordelen of je voldoende hebt gedaan. Zelfs rust wordt dan een middel om zo snel mogelijk weer goed te functioneren.
Je neemt een dag voor jezelf. Eindelijk tijd om uit te zoeken wat er speelt. Je leest een artikel, luistert een gesprek terug en maakt aantekeningen. Tegen de avond heb je meer verklaringen en nieuwe vragen. Je bent vermoeider dan toen je begon. Zelfs op je vrije dag heb je jezelf aan het werk gehouden.
Zo neem je de vertrouwde manier van leven mee in je poging eraan te ontsnappen. Je gaat het loslaten beheersen. Je maakt van ruimte vinden een opdracht en van zelfonderzoek een prestatie.
Ook begrijpen kan een vorm van aanpassing worden. Je wilt voldoende inzicht verzamelen om weer verder te kunnen. Ondertussen blijft dezelfde eis overeind: je moet iets doen met wat je ervaart.
Of die voortdurende opdracht zelf mag wegvallen, vraag je je nauwelijks af.
Wanneer woorden het overnemen
Zodra je over deze ervaring vertelt, zijn de verklaringen meestal snel beschikbaar.
Je bent overbelast.
Je hebt een loopbaanvraag.
Je moet beter begrenzen.
Je bevindt je in een spiritueel ontwaken.
Zulke woorden kunnen helpen iets te herkennen. Ze kunnen het onderzoek ook voortijdig afsluiten en dat is wat ze meestal doen.
Want zodra je ervaring een naam heeft, ontstaat er een verwachting over wat erbij hoort. Bepaalde verschijnselen krijgen aandacht, andere verdwijnen naar de achtergrond. Je gaat je verhaal ordenen naar de verklaring die je hebt gekregen.
Daarom wil ik onderscheid maken tussen wat je ervaart, de woorden die je daarvoor gebruikt en de verklaring die je eraan geeft.
Je kunt vaststellen dat oude doelen niet meer als de jouwe voelen, zonder al te weten waarom. Je kunt merken dat je minder bereid bent jezelf te reduceren, zonder onmiddellijk te kunnen uitleggen wat daarvoor in de plaats komt.
Het ontbreken van een verklaring maakt die waarneming niet ongedaan.
Het geeft je iets om te onderzoeken.
De verschuiving die ik erin herken
Soms merk je de verandering in een klein moment. Je hoort jezelf iets zeggen en beseft dat je eindelijk uitspreekt wat je al langer wist. Je voelt geen behoefte om er meteen een uitleg achteraan te geven. Pas later komt de twijfel: kan ik dat eigenlijk wel zo zeggen?
Of je bent een tijd alleen, zonder iets te hoeven oplossen. Er wordt iets duidelijk waarvoor je aan tafel met je aantekeningen geen woorden kon vinden. Zodra je het probeert uit te werken tot een sluitend verhaal, raak je de eenvoud ervan weer kwijt.
Ik herken daarin hoe onze eigen waarneming ruimte krijgt en vervolgens opnieuw wordt getoetst aan alles wat we hebben geleerd te moeten denken en verantwoorden.
Ik verbind deze ontwikkeling met de verschuiving die in bewustzijnstaal wordt aangeduid als de overgang van 3D naar 5D.
Voor mij verwijst dat naar een verandering in bewustzijn: bewustzijn dat er altijd is geweest, maar opnieuw beschikbaar komt. Daarmee verandert ook onze verhouding tot controle, zekerheid, identiteit en innerlijk weten.
Dat is het kader van waaruit ik deze ervaringen duid. Het is een duiding, geen bewijs.
In ‘De evolutie van bewustzijn en de mogelijke functie van U(HB)’ onderzocht ik eerder de gedachte dat hoogbegaafdheid niet uitsluitend begrepen hoeft te worden als méér potentieel, maar ook als minder verloren potentieel. Wat blijft er beschikbaar wanneer onze waarneming minder wordt teruggebracht tot wat een omgeving verwacht en accepteert?
Die vraag krijgt hier een persoonlijk vervolg. Wat gebeurt er wanneer je eigen waarneming opnieuw meer ruimte krijgt en je aangeleerde manieren van functioneren hun vanzelfsprekendheid verliezen?
Je hoeft het niet van mij aan te nemen. Dat doe je trouwens toch niet. Maar eerlijk is eerlijk: het kan je niet ontgaan zijn dat er iets aan het veranderen is?
Ook je oordeel daarover mag openblijven. Je hoeft mijn verklaring niet over te nemen om je eigen ervaring serieus te onderzoeken.
Wat hebben we onderweg weggestopt?
Jarenlang aanpassen leert je waarop je moet letten. Welke reactie welkom is, hoeveel uitleg nodig is en welke waarneming je beter voor jezelf kunt houden. Je leert verwachtingen lezen en verantwoordelijkheid nemen.
Daarmee kun je veel bereiken. Maar die manier van functioneren kan zo vanzelfsprekend worden dat je eigen betrokkenheid nauwelijks meer wordt geraadpleegd.
Neem het moment waarop iemand je om hulp vraagt. Je ziet de samenhang en hoort jezelf zeggen: ‘Ja hoor, stuur maar door.’ Terwijl je het zegt, voel je al dat je er geen ruimte voor hebt. Toch volgt onmiddellijk de gedachte dat het voor jou weinig moeite is en dat die ander ermee geholpen is.
Je ‘ja’ is al gegeven voordat je jezelf werkelijk hebt geraadpleegd.
Wanneer ik zeg dat de antwoorden in onszelf bewaard zijn gebleven, bedoel ik niet dat er ergens een volledig uitgewerkt levensplan op ons ligt te wachten. Alhoewel ik dat zeker niet uitsluit.
Ik doel hier op het vermogen om te herkennen wat klopt, waar een grens ligt, wat betekenis heeft en waaraan we ons werkelijk willen verbinden. Dat vermogen heeft lang moeten concurreren met alles wat voorrang kreeg.
Om erbij te kunnen, moeten we het eerst gelegenheid geven zich te laten merken.
Met niets aan de gang
‘Maar waarmee moet ik dan aan de gang?’
Die vraag laat zien hoe diep de opdracht tot handelen in ons zit. Zelfs wanneer voortdurend oplossen ons niet verder brengt, zoeken we naar een nieuwe opdracht.
Mijn antwoord is: even met niets.
Laat de vraag bestaan zonder haar voortdurend aan het werk te zetten. Je hoeft haar vandaag niet af te ronden. Je hoeft niet iedere gedachte te volgen of van ieder ongemakkelijk moment een aanwijzing te maken.
Ga fietsen. Kijk om je heen. Doe iets eenvoudigs waarvoor geen verklaring nodig is. Laat een gesprek plaatsvinden zonder vooraf te bepalen wat het moet opleveren.
Ook dat hoeft geen methode of wedstrijd te worden.
Rust betekent hier dat de eis om tot een oplossing te komen tijdelijk wegvalt. Daardoor ontstaat gelegenheid om verschil te merken tussen wat je werkelijk bezighoudt en wat je uit gewoonte probeert op te lossen. In die zin is rust gelijk aan hard werken.
Angst en onrust vertellen je dat er iets op het spel staat. Ze hoeven niet ieder antwoord te bepalen. Naarmate ze minder van je aandacht opeisen, wordt er ook iets anders hoorbaar.
Een grens die je al langer voelde. Een verlangen dat steeds werd uitgesteld. Een eenvoudig besef waarvoor je telkens een ingewikkelde tegenwerping had.
Je hoeft dat niet onmiddellijk te gebruiken en je mag eerst merken dat het er is.
Ook spirituele taal moet ruimte laten
Mensen met een sterke spirituele achtergrond zullen spreken over een hogere macht, over loslaten en je ziel de ruimte geven. Die woorden kunnen uitdrukken wat iemand werkelijk ervaart. Wie zich daarin thuis voelt, zal ik als laatste tegenhouden.
Maar veel U(HB)-ers pruimen een verklaring niet alleen omdat zij troost biedt. Ze willen weten waarop die berust. Wat neem je waar? Waarop baseer je je? En waar begint de interpretatie?
Die vragen verdienen een antwoord. Ook binnen een spiritueel kader. Wie een hogere frequentie noemt, moet duidelijk maken wat daarmee wordt bedoeld. Wordt er iets gemeten, of wordt het woord gebruikt om een ervaring te beschrijven? Wie spreekt over een verandering in bewustzijn, moet onderscheid maken tussen de ervaring daarvan en de verklaring die eraan wordt gegeven.
Tegelijk verdient ook het bestaande model die kritische blik. Dat iets er niet in past, is op zichzelf geen weerlegging. Een model moet ons helpen onderzoeken wat er gebeurt. Het mag niet vooraf bepalen wat er überhaupt kan gebeuren.
Je hoeft jouw ervaring dus niet onmiddellijk in spirituele taal te vertalen. Je hoeft haar evenmin weg te redeneren omdat die taal je tegenstaat.
Er moet ruimte blijven om iets waar te nemen voordat we hebben besloten wat het betekent.
De deskundige en zijn gereedschap
Juist in deze fase bieden zich gemakkelijk mensen aan die weten wat er met je aan de hand is.
Het aanbod aan HB-begeleiding is groot. Er zijn modellen, trajecten en verklaringen voor vrijwel iedere ervaring. Maar een toolkit zegt weinig over het vermogen van de begeleider om aanwezig te blijven wanneer die toolkit tekortschiet.
Heeft iemand ruimte voor een ervaring waarvoor nog geen verklaring beschikbaar is? Kan die persoon luisteren zonder jouw verhaal onmiddellijk onder te brengen in wat hij al kent? Verdraagt hij zijn eigen onzekerheid, of moet jouw vraag worden opgelost om zijn deskundigheid overeind te houden?
Je weet zelf het antwoord nog niet. Juist daarom verlang je naar iemand met wie je zonder aarzeling iets kunt verkennen. Iemand bij wie je een gedachte mag uitspreken voordat je haar kunt onderbouwen. Bij wie een vraag open mag blijven en een onverwachte mogelijkheid onderzocht kan worden.
Dat vraagt dat de ander zijn kennis kan inzetten zonder haar tot grens van het gesprek te maken.
Een professionele rol biedt ook houvast aan degene die haar vervult. Wie gewend is antwoorden te geven, moet kunnen merken wanneer die gewoonte zijn eigen behoefte aan zekerheid dient. Anders krijgt de methode voorrang op het gesprek.
Innerlijk werk betekent hier ook dat je leert verdragen dat je niet onmiddellijk weet wat iets betekent. Dat je merkt wanneer je behoefte om deskundig te zijn het luisteren overneemt.
Dat geldt voor degene die een vraag stelt én voor degene die wordt geacht te antwoorden.
Je vraag is geen achterstand
Daarom lees ik een persoonlijk bericht niet automatisch als een verzoek van iemand die minder ver is.
Wie schrijft dat zijn oude antwoorden niet meer voldoen, heeft al iets wezenlijks toegelaten. Die persoon merkt dat er een grens is bereikt aan de manier waarop hij zichzelf tot nu toe begreep.
Dat openleggen vraagt vertrouwen. Zeker wanneer je gewend bent degene te zijn die het weet, die helpt en die overzicht houdt.
De vraagsteller kan daarmee iets onder ogen zien waarvoor de deskundige nog terugdeinst. De rollen zeggen weinig over de bereidheid om werkelijk te onderzoeken.
Wellicht zijn ze straks omgekeerd.
Een goed gesprek moet daar ruimte voor hebben. Anders wordt het opnieuw een verhouding waarin de één bepaalt wat de ervaring van de ander betekent.
Opnieuw leren fietsen
Zo voelt deze overgang voor mij: alsof je opnieuw moet leren fietsen.
Je kijkt uit naar de vrijheid van bewegen. In gedachten zie je al hoe het zal zijn. Maar zodra je los moet rijden, merk je dat het evenwicht nog geen vanzelfsprekendheid is.
Meer uitleg neemt die onwennigheid niet volledig weg. Je leert onderweg hoe je je verhoudt tot de beweging.
Dat vraagt tijd. Soms voel je richting en de volgende dag zoek je haar weer. Je kunt opgelucht zijn over wat je achterlaat en het tegelijkertijd missen. Je kunt weten dat je niet terug wilt zonder al te weten hoe je verdergaat.
Die wisselingen hoeven niet voortdurend tot een oordeel over jezelf te leiden.
Waarop kun je dan vertrouwen?
Op je vermogen om waar te nemen, te ervaren en opnieuw richting te vinden. Op wat terugkeert wanneer de druk om onmiddellijk te antwoorden afneemt. Op het onderscheid dat groeit wanneer je jezelf niet steeds onderbreekt.
Je hoeft het nieuwe niet onmiddellijk begrijpelijk te maken voor de kringen waarbinnen het oude vanzelfsprekend was.
En je hoeft van deze overgang niet opnieuw een prestatie te maken.
Voor nu mag er een vraag zijn waarop je nog geen antwoord geeft.



