Berlijn, de Rapture en waarom ik NEXUS bouw
Tussen een zwerver in het portiek en een kind in de kinderwagen: wat Berlijn me leert over twijfel, vertrouwen en de plek die nieuwsgierigheid nog verdient.
Berlijn, de Rapture en waarom ik NEXUS bouw
Ik ben nu bijna drie weken in Berlijn. Een stad die me tegelijkertijd aantrekt en afstoot. Ik heb in veel steden gewoond en gewerkt, maar Berlijn heeft iets eigenaardigs, alsof de stad voortdurend laveert tussen verval en vernieuwing, tussen vrijheid en onverschilligheid, tussen schoonheid en chaos.
Je ziet hier alles. Ondernemers die iets proberen op te bouwen. Kunstenaars die een nieuwe taal zoeken. Toeristen die de geschiedenis consumeren. En mensen die de aansluiting met de samenleving volledig lijken te zijn kwijtgeraakt.
Vanmorgen opende ik de voordeur van het appartement. In het portiek van de buurvrouw, een kleine kapsalon waar oudere dames nog altijd komen voor een permanent, lag opnieuw een zwerver. Zijn benen zaten onder de open wonden, een zwerm vliegen hing om hem heen, de geur van urine trok het trappenhuis in. Een voorbijganger belde een ambulance en twee broeders stapten uit. Nog voordat ze iets zeiden, zag ik aan hun gezichten dat dit geen uitzonderlijke situatie meer was, maar routine. De oudste sprak de man streng toe. Hij moest weg, niet omdat hij ziek was, maar omdat hij de ingang voor de brandweer blokkeerde. Ik bleef achter met één vraag: hoe zijn we hier terechtgekomen? Niet alleen in Berlijn, maar als samenleving.
Een uur later liep ik samen met Wout door de U-Bahn. We sjouwden een kokosmat van vier bij twee meter voor de Werkstatt. Een klein jongetje met donkere krullen keek ons nieuwsgierig aan. “Wat is dat?” Ik legde uit waarvoor de mat was. “Waarom?” Dus vertelde ik over de Werkstatt. “Waarom?” En weer: “Waarom?” Misschien wel tien keer achter elkaar. Ik moest lachen. En op dat moment besefte ik dat dezelfde stad die me een uur eerder vooral verval had laten zien, me nu iets totaal anders liet zien: hoop. Geen grootse hoop, geen politieke hoop, geen economische hoop — gewoon de onbevangen nieuwsgierigheid van een kind dat de wereld nog wil begrijpen. In deze stad groeien mijn kleinkinderen op. En ineens wist ik weer waarom ik hier ben.
De afgelopen maanden heb ik me verdiept in onderwerpen die de meeste mensen onmiddellijk in een hokje plaatsen: de Rapture, astrologische cycli, bewustzijn, oude tradities, de vraag of er een onderliggende orde bestaat in wat wij toeval noemen. Niet omdat ik een nieuw geloof zoek, en zeker niet omdat ik anderen wil overtuigen. Integendeel: hoe meer ik onderzoek, hoe minder behoefte ik voel om zeker te zijn. Ik wil begrijpen. Dat is iets anders.
Ik zie patronen. Soms lijken gebeurtenissen op wereldschaal zich te bewegen volgens ritmes die veel ouder zijn dan onze politieke systemen. Soms lijken wetenschappelijke ontdekkingen onverwacht aansluiting te vinden bij vragen die religie en filosofie al duizenden jaren stellen. Dat betekent voor mij niet dat één traditie ineens ‘gelijk’ heeft, wel dat ik het steeds moeilijker vind om alles los van elkaar te zien. Misschien bestaat de werkelijkheid uit veel meer samenhang dan wij denken. Misschien ook niet. Maar die vraag is het onderzoeken waard.
Dat brengt me in een vreemde positie. Hoe meer ik lees, hoe meer er voor mijn gevoel op zijn plaats valt. En tegelijkertijd hoor ik voortdurend een andere stem: “Pas op.” “Misschien zie je verbanden die er niet zijn.” “Misschien wil je gewoon graag dat het klopt.” Vroeger vocht ik tegen die stem. Nu ben ik er dankbaar voor, want zonder twijfel wordt nieuwsgierigheid ideologie. En ideologie is precies wat ik niet wil.
Misschien is dat wel de diepste reden waarom NEXUS ontstaat. Niet als een instituut dat antwoorden verkoopt, maar als een werkplaats voor mensen die bereid zijn hun eigen overtuigingen te onderzoeken. Een natuurkundige hoeft het niet eens te zijn met een filosoof. Een christen hoeft een scepticus niet te bekeren. Iemand die astrologische cycli onderzoekt hoeft niemand ervan te overtuigen dat die bestaan. Maar iedereen zou bereid moeten zijn om eerlijk te luisteren. Dat is zeldzaam geworden, niet alleen op sociale media, ook aan universiteiten, ook in bedrijven, ook in de politiek. Misschien juist daar.
De grootste verandering zit uiteindelijk niet in mijn ideeën, die blijven zich ontwikkelen. De grootste verandering zit in mij. Nog steeds beweeg ik tussen hoop en angst, tussen vertrouwen en twijfel, maar de verhouding verandert. De dalen duren korter. Het vertrouwen keert sneller terug. Niet omdat ik meer antwoorden heb, maar omdat ik steeds vaker ervaar dat de volgende stap zich pas laat zien wanneer ik de vorige daadwerkelijk heb gezet. Misschien is dat wat vertrouwen werkelijk is: niet de afwezigheid van twijfel, maar de bereidheid om ondanks de twijfel toch verder te gaan.
Vanmorgen zag ik twee gezichten. Het gezicht van een man die door de samenleving vrijwel was opgegeven. En het gezicht van een klein jongetje dat nog eindeloos bleef vragen: “Waarom?” Daartussen bevindt zich onze beschaving. Misschien ook de toekomst.
En misschien is dát uiteindelijk waarom ik, op mijn eenenzestigste, samen met mijn zoon NEXUS bouw. Niet omdat wij de antwoorden hebben, maar omdat wij geloven dat de wereld plaatsen nodig heeft waar mensen opnieuw leren vragen. Misschien begint iedere beschaving opnieuw met een kind dat onbevangen vraagt: waarom?



